Peiling: Spreidingswet | Vertrouwen in formatie | Economisch sentiment

In de januari-editie van de Ipsos Maatschappelijke Barometer (uitgevoerd tussen 26 en 29 januari): Helft Nederlanders voorstander spreidingswet • Nederlanders verdeeld over slagen formatie • Economische pessimisme neemt af na Tweede Kamerverkiezingen

Schrijver(s)
  • Maren Hekkema Public Affairs, the Netherlands
  • Sander Nieuwkerk Public Affairs, the Netherlands
Get in touch

Alleen PVV-achterban uitgesproken tegen spreidingswet

Dinsdag 23 januari behaalde de spreidingswet een meerderheid in de Eerste Kamer. Deze meerderheid was er nooit geweest zonder de VVD-fractie, die tegen het standpunt van de partij in stemde. Bijna de helft van de Nederlanders (46%) vindt het een goede zaak dat de spreidingswet is aangenomen. Eén vijfde (22%) vindt het echter geen goede zaak.
 

Dat de VVD-fractie in de Eerste Kamer voor stemde, kan op goedkeurig rekenen van een meerderheid van de achterban: 61% van de VVD’ers vindt het namelijk een goede zaak dat de wet is aangenomen. Ook onder de formerende partijen BBB en NSC lijkt er draagvlak voor de wet (respectievelijk 58% en 48%). Alleen onder de PVV-achterban is er nauwelijks draagvlak voor de wet: maar een vijfde (17%) vindt de spreidingswet een goede zaak, terwijl de helft (47%) dat niet vindt.

Nederlanders zijn verdeeld over of VVD-fractievoorzitter Yeşilgöz moet terugtreden vanwege de spreidingswet. Een derde (33%) vindt van wel, terwijl een kwart van de Nederlanders (27%) vindt dat ze kan aanblijven. 
 

De VVD-achterban vindt maar nauwelijks dat Yeşilgöz moet terugtreden; slechts één op de tien (14%) is van mening dat ze zou moeten terugtreden, tegenover ruim de helft (56%) die het hiermee oneens is. Onder de achterban van de drie formerende partijen is het sentiment dat Yeşilgöz moet terugtreden vanwege de spreidingswet meer aanwezig: ruim de helft van de PVV’ers (55%) is voorstander van het aftreden van Yeşilgöz vanwege de spreidingswet, evenals twee op de vijf BBB’ers (42%) en NSC’ers (41%).

De waardering voor Yeşilgöz is daarbij tanende. Waar Nederlanders haar een maand voor de Tweede Kamerverkiezingen (week 42) met een 6.1 nog een voldoende gaven, beoordelen Nederlanders haar in januari (week 5) met een 4.0 beduidend lager. Aangezien de waardering voor de fractievoorzitter voor de verkiezingen stabiel én voldoende was, lijkt de daling pas te zijn ingezet na de verkiezingen. Tegelijkertijd gaat de daling in waardering gepaard met een hogere bekendheid onder Nederlanders.  
 

Deze daling in de waardering van Yeşilgöz vindt over de gehele breedte van het politieke spectrum plaats: voor de verkiezingen werd ze namelijk nog relatief positief beoordeeld. Zowel PVV’ers als D66’ers beoordeelden haar toen nog met een voldoende. Nu, twee maanden na de verkiezingen, beoordeelt alleen de VVD-achterban haar met een voldoende. Echter, ook onder haar eigen achterban is de waardering gedaald van een 7.7 in oktober naar een 6.4 in januari.

 

Helft van de Nederlanders verwacht dat formerende partijen regering zullen vormen

Met informateur Plasterk gaan de formerende partijen – PVV, VVD, NSC en BBB – de zevende week van onderhandelingen in. Er is vooralsnog veel onduidelijk over de status van de formatie, waarbij de vraag rijst in hoeverre de Nederlander vertrouwen heeft in een goede afloop. 
Momenteel heeft ongeveer de helft van de Nederlanders (46%) er vertrouwen in dat de formerende partijen erin slagen om samen een regering te vormen. Dat is een nipte daling ten opzichte van december, toen 51% vertrouwen had. Twee vijfde (43%) heeft (heel) weinig vertrouwen, waar dat een maand geleden nog een derde (36%) was. 
 

Kijkende naar de achterbannen van de formerende partijen, zien we dat een meerderheid daar wél verwacht dat de partijen erin slagen om samen één regering te vormen. Dit vertrouwen is het grootst onder BBB’ers (79%), gevolgd door PVV’ers (71%), NSC’ers (68%) en VVD’ers (59%).

 

Economische pessimisme neemt af sinds verkiezingen

Om de (economische) verwachtingen van de Nederlander door de tijd te kunnen volgen, leggen we hierbij bijna al onze peilingen hier een aantal stellingen over voor onder Nederlanders. 

Waar we in januari 2023 al constateerden dat het pessimisme langzaamaan weg leek te ebben na de inflatiecrisis, zien we dat dit economisch pessimisme in januari 2024 nog verder is afgenomen. 

Beginnende met de economische verwachtingen in Nederland. Momenteel verwacht één tiende van de Nederlanders (11%) dat de economische situatie de komende twaalf maanden zal verbeteren en twee vijfde (40%) dat deze hetzelfde blijft. Ook is er een aanzienlijke aandeel van 38% dat verwacht dat de economische situatie de komende twaalf maanden zal verslechteren. In januari 2023 – exact een jaar geleden – was de helft (50%) pessimistisch over de economische vooruitzichten, dacht een derde (32%) dat de situatie hetzelfde zou blijven en één tiende (11%) geloofde dat economische situatie zou verbeteren. Deze resultaten laten zien dat Nederlanders niet per se optimistischer zijn geworden, maar wel dat ze minder vaak pessimistisch zijn. 

Deze daling in pessimisme is pas ingezet na de Tweede Kamerverkiezingen: eind oktober verwachtte nog 48% dat de economische situatie de komende twaalf maanden zou verslechteren, waar in december nog geen twee vijfde (37%) dat dacht.

We merken een soortgelijk patroon op bij de verwachtingen over de persoonlijke financiële situatie. In vergelijking met januari 2023, is het pessimisme afgenomen (van 33% in januari’23 tot 23% in januari’24), terwijl het optimisme constant is gebleven (13% in januari’23 versus 15% in januari’24). Bovendien is het pessimisme over de persoonlijke financiële situatie pas afgenomen - en sindsdien constant gebleven - na de Tweede Kamerverkiezingen van 22 november.

Rechtsgeoriënteerde Nederlanders zijn vaker negatief gestemd over hun toekomstige persoonlijke financiële situatie. Iets meer dan een kwart van de rechtsgeoriënteerde Nederlanders (27%) verwacht dat hun persoonlijke financiële situatie achteruit zal gaan, tegenover een vijfde van de midden- en linksgeoriënteerde Nederlanders (beide 20%).

Tot slot de vraag of het de goede of slechte kant op gaat met Nederland. Twee derde van de Nederlanders (66%) is van mening dat het land in de verkeerde richting gaat. Dit is vergelijkbaar met januari 2023, toen 67% dacht dat het land de verkeerde kant op ging. In vergelijking met het voorgaande jaar zijn er echter minder Nederlanders die denken dat het land de goede kant op gaat: waar vorig jaar nog 17% van de Nederlanders deze mening deelde, geeft nu slechts 13% aan dat ze vinden dat het land in de goede richting gaat.

In tegenstelling tot de economische vooruitzichten, merken we hier geen invloed van de Tweede Kamerverkiezingen. Er zijn echter wel twee andere piekmomenten. Allereerst de Provinciale Statenverkiezingen. In onze eerste peiling na deze verkiezingen, zagen we een stijging van het aantal Nederlanders dat dacht dat het land de verkeerde kant op ging naar 73%. Het pessimisme daalde vervolgens tot 67% in mei, maar nam daarna weer toe. Op het tweede hoogtepunt - in juli, net na het aftreden van het kabinet Rutte IV - vond driekwart van de Nederlanders (75%) dat het land de verkeerde kant op ging.

 

Onderzoeksverantwoording 
De data zijn gebaseerd op online onderzoek van Ipsos onder een representatieve steekproef van de Nederlandse stemgerechtigde bevolking (n=1.026) tussen 26 en 29 januari. Afwijkingen tussen de samenstelling van de steekproef en de samenstelling van de Nederlandse stemgerechtigde bevolking op de kenmerken leeftijd, geslacht, opleiding, regio, werkzaamheid en stemgedrag bij de laatste landelijke verkiezingen (de Tweede Kamerverkiezingen van 2023) zijn door middel van een weging gecorrigeerd.

Meer informatie
Deze peiling is onderdeel van de maandelijks terugkerende Maatschappelijke Barometer
Neem voor meer informatie over dit onderzoek contact op met Sander Nieuwkerk ([email protected]).

Schrijver(s)
  • Maren Hekkema Public Affairs, the Netherlands
  • Sander Nieuwkerk Public Affairs, the Netherlands

Maatschappij