6 op de 10 Nederlandse vrouwen vinden dat lonen van collega’s die hetzelfde werk doen openbaar moeten zijn

Internationale vrouwendag 2021

Meer dan de helft van de Nederlandse bevolking (56%) vindt het dichten van de loonkloof tussen mannen en vrouwen belangrijk, maar nu geen prioriteit. Daarentegen vindt bijna 1 op de 4 Nederlanders (23%) het belangrijk én een prioriteit. De pandemie drukt zo ook een stempel op de strijd voor gendergelijkheid. Dat blijkt uit nieuw wereldwijd onderzoek van Ipsos in samenwerking met het Global Institute for Women’s Leadership van de universiteit King’s College London

 

Gendergelijkheid op de werkvloer

6 op de 10 Nederlandse vrouwen (63%) vinden dat lonen van collega’s die hetzelfde werk verrichten openbaar moeten zijn. Nederlandse vrouwen vinden dit belangrijker dan mannen (50%). Ook zegt een hoger percentage van de Nederlandse vrouwen (50%) dat er daadwerkelijk een loonverschilprobleem is (onder mannen is dit 40%). 


We zien ook dat er een bepaald beeld bestaat over sectoren waar vooral mannen of vooral vrouwen werken. Zo denken bijna 9 op de 10 Nederlanders (87%) dat er vooral vrouwen in de kinderopvang werken en denkt ook 84% dat in de verpleegkunde vooral vrouwen werken. De politiek (63%) en de bankierswereld (70%) worden juist gezien als sectoren waar vooral mannen werken. Tevens laat het rapport zien dat 6 op de 10 Nederlanders (62%) vinden dat het verplegend personeel te weinig betaald krijgt en 7 op de 10 (68%) vinden dat bankiers te veel betaald krijgen. 

 

Gendergelijkheid en de pandemie

De coronacrisis heeft een impact op percepties over werk en privé, en over man-vrouw gelijkheid. Bijna de helft van de Nederlandse bevolking (47%) zegt het belangrijk te vinden dat vrouwen na de crisis flexibeler moeten kunnen werken, bijvoorbeeld door de mogelijkheden om thuis te werken en parttime te werken, te verruimen. 


Meer dan een kwart van de Nederlanders (28%) geeft aan dat ze door de coronacrisis al minder zijn gaan werken en nu meer tijd met hun familie doorbrengen. Toch geeft het overgrote deel (56%) van de Nederlandse ondervraagden aan niet meer, maar ook niet minder te zijn gaan werken door de pandemie.


Ruim een kwart van de Nederlandse bevolking (26%) maakt zich nu meer zorgen over het verliezen van hun baan dan voor de crisis, maar zes op de tien (60%) Nederlanders zeggen niet bezorgder te zijn geworden sinds de coronacrisis. Vergeleken met andere landen maken Nederlanders zich niet zo druk om hun baan, alleen in Israël maken mensen zich minder zorgen.
 

Meer weten? Download het volledige rapport hier of neem voor vragen contact op met Sjoerd van Heck via sjoerd.vanheck@ipsos.com.

 

Onderzoeksverantwoording
De gegevens voor dit onderzoek in 28 landen zijn verzameld via het Ipsos Global Advisor online platform van 22 januari tot 5 februari 2021. In deze periode zijn er in totaal 20.520 interviews uitgevoerd onder volwassenen tussen 18-74 jaar in de Verenigde Staten, Canada, Israël, Maleisië, Zuid-Afrika, en Turkije, en tussen 16-74 jaar in 21 andere landen.

In de volgende landen zijn circa 1.000 burgers ondervraagd, Australië, België, Brazilië, Canada, Volksrepubliek China, Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Italië, Japan, Spanje, en in de Verenigde Staten. Er zijn 500 burgers ondervraagd in Argentinië, Chili, Hongkong, Hongarije, India, Israël, Maleisië, Mexico, Nederland, Peru, Polen, Rusland, Saoedi-Arabië, Zuid-Afrika, Zuid-Korea, Zweden en Turkije.

De steekproeven in Argentinië, Australië, België, Canada, Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Hongarije, Italië, Japan, Nederland, Polen, Zuid-Korea, Spanje, Zweden en de Verenigde Staten kunnen als representatief gezien worden voor hun volwassen bevolking onder 75 jaar.

In sommige markten (Brazilië, Chili, Volksrepubliek China, India, Israël, Maleisië, Mexico, Peru, Rusland, Saoedi-Arabië, Zuid-Afrika, en Turkije) zijn de steekproeven representatief voor wat ook wel het ‘connected’ segment van de samenleving wordt genoemd. Dit zijn burgers die, in vergelijking met de gemiddelde burger in de desbetreffende landen, hoger zijn opgeleid, een hoger inkomen hebben en vaker in een urbane omgeving leven.

De data is gewogen in overeenstemming met het profiel van de volwassen populatie van elk land volgens de laatste censusgegevens.

Wanneer de resultaten niet optellen tot 100 of het ‘verschil’ is meer/minder dan +/- 1, kan dit komen door afronding, meerdere antwoordmogelijkheden, of het weglaten van de antwoordcategorie ‘weet niet’ of niet aangeven antwoorden.
De foutmarge bedraagt circa 3,5% bij een steekproefgrootte van 1.000 respondenten en circa 5,0% bij een steekproefgrootte van 500 respondenten